Op welke manier kan ons onderwijs een bijdrage leveren aan het integratievraagstuk?

tekst & beeld: Barbara le Noble (2017)

 

Deze vraag stel ik mij al enige tijd. En ik niet alleen. De afgelopen verkiezingen stonden weer grotendeels in het teken van immigratie en  integratie. Om een zinnige bijdrage te kunnen leveren aan de discussie ben ik allereerst op zoek gegaan naar inzicht in de aard van de problemen die integratie belemmeren of moeilijk maken. Aan de hand daarvan heb ik geprobeerd deze oorzaken te analyseren en te doorgronden. Ook heb ik gekeken naar verschillen tussen mensen, waarom lukt het de ene mens wel en de ander niet? In hoeverre draagt onderwijs bij aan harmonie en wat zijn de pijlers voor integratie? Waarom en hoe zouden scholen hier een grotere rol van betekenis in kunnen spelen?

Ik heb zo’n 20 jaar van mijn leven als scholier en student doorgebracht en kan mij niet herinneren dat iemand mij ooit gevraagd heeft hoe ik mij voelde, of wat ik nodig had. In plaats daarvan leerden ze mij dingen zoals ‘juist’, ‘fout’, ‘goed’ en ‘slecht’ om in een systeem te passen dat mensen volgens deze criteria beoordeelt. Het resultaat van dit systeem is dat wij overal een oordeel (of een mening) over hebben, maar niet altijd even kritisch hebben nagedacht. Oordelen staat haaks op onderling begrip en compassie omdat het een beperkt perspectief hanteert. Voor mij persoonlijk werkte het systeem niet goed omdat ik de neiging heb alles in de bredere context te zien, dan zie je ook meer perspectief en zie je hoe kortzichtig het is om dingen als 'goed' en 'fout' te bestempelen. Immers, ieder verhaal heeft meerdere kanten, de werkelijkheid is niet op deze manier te vereenvoudigen. Over werkelijkheid gesproken, is die er eigenlijk wel? Zien wij de wereld niet allemaal door een andere bril? Wat voor de één een groot nadeel is, kan voor een ander een zegen zijn.

Nederland is een prachtig land met democratie, vrijheid en het principe van gelijkheid. Mensen kunnen hier in vrede leven en de overheid biedt iedereen mogelijkheden en kansen om zich volop te ontwikkelen. Toch is er iets aan de hand. Er is onvrede en onrust. Het eens zo tolerante Nederland laat andere geluiden horen; angst voor islamisering, bevolkingsgroepen staan lijnrecht tegenover elkaar. Populistische partijen vertegenwoordigen deze onvrede middels extreme opvattingen. Geert Wilders benoemt wat er allemaal niet goed gaat en speelt handig in op ons gevoel van (on)veiligheid maar biedt geen realistische oplossingen. Als reactie op zijn anti-islam boodschap is aan de andere kant van het politieke spectrum de DENK beweging ontstaan met zijn pro-islamitische standpunten. Deze extreme partijen zijn vooral bezig met het benadrukken van de verschillen tussen mensen. Zo worden we gehersenspoeld en gaan we werkelijk geloven dat er een wij – zij is. Met aan de ene kant boze autochtone burgers, die vinden dat ze meer rechten hebben dan immigranten, zich achtergesteld voelen ten opzichte van vluchtelingen. Mensen die zich niet meer thuis voelen in hun eigen wijk. Aan de andere kant de mensen met een migrantenachtergrond die tegen problemen aanlopen, ze ervaren dagelijks het gevoel van ‘er niet bij horen’. Het vinden van een baan is lastiger omdat ze gediscrimineerd worden. Sommigen van hen radicaliseren en worden een gevaar voor de samenleving. In de uitersten is veel boosheid, angst en intimidatie. Het gaat over (niet) ‘gehoord en gezien worden’, (on)begrip en (mis)communicatie.  De aard van de problemen is 'sociaal emotioneel'. De gevolgen? Werkloosheid, armoede, schooluitval, (drugs)verslaving, criminaliteit en familiedrama's.

De oplossing zou dus ook meer  gericht moeten zijn op deze emotionele en sociale aspecten met behulp van educatie. Waar kan je beter beginnen dan op school? De basisschool is de aangewezen plek om hieraan te werken omdat het de enige plek is waar alle Nederlanders samenkomen en een groot deel van hun leven doorbrengen. Elke klas is een micro samenleving ongeacht welke culturele achtergrond. Er zijn verschillen in karakter, intelligentie en milieu. De ideale omgeving om te werken aan integratie en samenwerking. ‘Sociale ontwikkeling’ gaat over vaardigheden goed om te gaan met andere mensen en begrip hebben voor je medemens. Bij ‘emotionele ontwikkeling’ gaat het om goed omgaan met eigen gevoelens en die van anderen.  Sociaal emotionele vaardigheden zoals zelfbewustzijn, zelf-management, inlevingsvermogen, samenwerken en kritisch denken zouden meer geïntegreerd moeten worden in het huidige curriculum dat hoofdzakelijk gericht is op de cognitieve ontwikkeling. Geef kinderen een stem, maak gebruik van socratische methoden en ga uit van het principe dat iedereen er toe doet, ieder kind is het waard om gezien en gehoord te worden.

Maar waar gaat het dan mis?

Vaardigheid = waardigheid

Onderwijs is voor iedereen en gaat uit van het principe van gelijkwaardigheid. Een kernwaarde van scholen is gelijkwaardigheid maar het systeem genereert ongelijkwaardigheid. Kinderen worden continue vergeleken met elkaar, allemaal gemeten langs dezelfde meetlat, beoordeeld op hun cognitieve vaardigheden en op basis daarvan wordt hun waarde en hun toekomst bepaald. Met andere woorden: de waardigheid is gekoppeld aan de vaardigheidIndien een kind de vaardigheid niet beheerst, verliest het tevens een deel van zijn waardigheid. Op zeer jonge leeftijd kan een kind dus al een stuk van zijn eigenwaarde verliezen. Op latere leeftijd wanneer jongeren op zoek gaan naar hun eigen identiteit speelt deze eigenwaarde weer een rol. Hoe minder eigenwaarde, hoe makkelijker ze te beïnvloeden zijn. Ze sluiten zich aan bij de groep die hen de meeste (schijn)veiligheid weet te bieden. Hun wereld wordt groter, ze gaan experimenteren, grenzen verkennen, zich afzetten; het hoort er allemaal bij maar wanneer er sprake is van ongelijkwaardigheid zullen mensen heel ver gaan om gehoord en gezien te worden. Zij schreeuwen om erkenning en waardering maar de kloof met andersdenkenden is moeilijk te overbruggen omdat ze eenvoudigweg de vaardigheden niet hebben geleerd. Hieruit ontstaat onmacht en vanuit onmacht zijn mensen tot de ergste dingen in staat. Volwassenen die lijden aan een minderwaardigheidscomplex zijn ergens niet gehoord en gezien.

Bewust en onbewust

Er wordt vaak gesproken over de tweedeling in de maatschappij met aan de ene kant de allochtonen en aan de andere kant de autochtonen, of op basis van inkomensniveau: de rijken en de armen, of de ouderen en de jongeren, maar ik zie ook een tweedeling op een ander niveau, die van het bewustzijn. Er zijn onbewust (bekwaam en onbekwame) en bewust (bekwaam en onbekwame) mensen, die de fase van zelfontplooiing (top van de piramide van Maslow) hebben bereikt. Ze komen voor in alle lagen van de bevolking, allochtoon en autochtoon, ondernemer en werknemer, arm en rijk, jong en oud. Het verschil zit hem in hun mindset en de manier waarop ze in het leven staan. Het niveau van bewustzijn is van essentieel belang voor de sociaal emotionele ontwikkeling en voor de onderlinge verhoudingen. Onbewuste mensen zijn mensen die geen invloed (denken te) hebben op hun leven en zich slachtoffer voelen, over weinig zelfkennis beschikken, primair reageren, impulsief handelen (weinig zelfregulering), moeilijk om kunnen gaan met tegenslag, egocentrisch zijn en moeite hebben met samenwerking, makkelijk (ver)oordelen, lijden aan het zogenaamde ‘verhaaldenken’ en vooral bezig zijn met toekomst en verleden. Het leven overkomt hen, zij hebben voor hun gevoel nauwelijks controle. Zij hebben een fixed mindset. Bewuste mensen daarentegen zijn mensen die weten wie ze zijn, weten wat ze kunnen en wat niet, kritisch kunnen denken, nuanceren en reflecteren; eigen gedrag en gedachten waar kunnen nemen, verantwoordelijkheid nemen voor hun leven, rekening houden met een ander en kunnen samenwerken en weerbaar zijn, om kunnen gaan met tegenslag. Zij leren van hun fouten en werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en zelfontplooiing.

Bewustzijn gaat over (zelf) kennis, identiteit, filosoferen en denkvermogen. Leren hoe te denken in plaats van wat te denken. Dat ene woordje, hoe te denken in plaats van wat te denken maakt het verschil tussen bewust en onbewust. Mensen die bewust zijn, maken eigen keuzes en lopen niet blind achter een (extremistische) leider aan. Bewuste mensen zijn daarom een bedreiging voor het systeem want het systeem is gebaat bij onbewuste mensen, onwetendheid en automatismen.

Over het algemeen hebben de onbewuste mensen meer onvrede en onrust en baseren zij hun identiteit en bestaansrecht op een groep (bijvoorbeeld een bepaalde partij, voetbalclub, beroepsgroep of bevolkingsgroep). Zij denken in termen van wij / zij en hebben de neiging om in de slachtofferrol te vervallen.  Daarentegen zijn bewuste mensen gelukkiger en tevredener en hebben een autonome identiteit ontwikkeld. Ze zijn minder afhankelijk van een groep en maken bewuste keuzes. Het wil niet zeggen dat bewuste mensen alles altijd goed doen of het perfecte leven leiden; het verschil zit erin dat zij anders hebben leren omgaan met tegenslag, kritisch kunnen denken en verantwoordelijkheid nemen.

Het moge duidelijk zijn welke groep mensen het beste functioneert in een samenleving. Vanuit de overheid wordt de participatie maatschappij gestimuleerd. Centraal staat daarbij actief burgerschap en “de bereidheid en het vermogen om deel uit te maken van de gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren” (uit Onderwijswet, wijziging 2005)

Het actief burgerschap dus, een samenleving met bewuste mensen. Maar hoe dan?

Identiteit is de fundering van de bewuste mens

We hebben bijna allemaal wel een concept of beeld van onze identiteit, over wie we zijn. Identiteit is onze basis, gebaseerd op universele waarden en belangrijk voor onze keuzes en de richting die we aan ons leven willen geven. Wanneer we geen idee hebben van onze identiteit, dan worden keuzes ongefundeerd. Het is voor veel jongeren met een migrantenachtergrond lastiger om hun identiteit te ontwikkelen omdat zij zich bewegen tussen verschillende culturen.  Zij zijn Nederlander en groeien op met de Nederlandse cultuur maar hebben ook te maken met de culturele en religieuze aspecten van hun (voor)ouders. Dat is ook onderdeel van wie zij zijn. En misschien nog wel belangrijker: een identiteit kun je niet opgelegd krijgen en deze is pas gefundeerd indien gebaseerd op eigen keuze. Normen en waarden hangen nauw samen met je identiteit en als we het hebben over de (mislukte) integratie staan ‘de Nederlandse normen en waarden’ altijd centraal. Maar er ís geen Nederlandse identiteit, er zijn alleen verschillende Nederlanders met verschillende identiteiten. Identiteitsontwikkeling is bedoeld als tegenhanger voor een onderwijssysteem dat grotendeels economische doelstellingen ondersteunt. Scholen  richten zich voor een groot deel op het aanleren van vaardigheden en technieken. Leerlingen zijn ‘klanten’ die via smalle vorming en met behulp van scherpe toetsingsprogramma’s controleer- en meetbaar opgeleid worden tot kansrijke spelers op de arbeidsmarkt. De fundamentele vraag ‘waartoe dient ons onderwijs?’ dreigt uit beeld te raken. Onze waardering over onszelf is van invloed op onze identiteit. Wie ben ik? Wat kan ik? Wat wil ik? Universele waarden die ieder mens herkent, ongeacht afkomst vormen de basis van wie we willen zijn. Als kinderen zich op jonge leeftijd bewust worden van hun kwaliteiten doet dat veel voor hun eigenwaarde en zelfvertrouwen. Dat is de basis voor zelfstandigheid. Een kind dat zich goed voelt over zichzelf, gaat ook socialer en hulpvaardiger om met anderen. De neoliberale samenleving met haar moraal van zelfbeschikking (vrijheid- blijheid) dwingt mensen tot zelforganisatie. De belangrijkste stap is het besef van het kind: dit is mijn leven, ik moet het zelf begrijpen en vormgeven. Dit bewustzijn ontwikkelt hij door zelfkennis, veel oefenen, doorzetten, moeite doen, tegenslag overwinnen. Identiteitsontwikkeling heeft maatschappelijke urgentie.

De onbewuste mens met zijn gebrek aan eigenwaarde en identiteitsbesef heeft geen ruimte om empathisch te zijn. Hij is veel te druk met zichzelf, zijn eigen emoties, zijn onvrede en de ander is een concurrent, de boosdoener of de vijand. Inlevingsvermogen gaat altijd gepaard met bewustzijn. Het gaat over ‘kijken vanuit een ander perspectief, zonder oordeel’. Het is een voorwaarde om goed te kunnen samenwerken, immers als je kan verplaatsen in een ander hou je ook rekening met een ander. De behoefte aan empathie is aangeboren, maar empathisch vermogen is geen aangeboren eigenschap. Je vergroot empathisch vermogen bij kinderen door zelf empathisch te zijn met het kind en door een open en veilige communicatie. Emotionele thema's bespreekbaar maken en de nadruk leggen op onze overeenkomsten in plaats van onze verschillen. Empathie is fundamenteel en een voorwaarde om tot leren en ontwikkelen te komen.

Gelijkwaardigheid, identiteitsontwikkeling, samenwerking en communicatie  zijn de pijlers waarop we de integratie kunnen bouwen.

Harmonie met behulp van de grote middengroep

Een klas kan je op macroniveau vergelijken met de maatschappij. In iedere klas zijn een paar druktemakers, verlegen onzekere kinderen en een hele grote middengroep die min of meer ‘normaal’ doet. Hetzelfde geldt voor samenlevingen, bevolkingsgroepen, voetbalelftallen, bedrijven en families. Er zijn er altijd een paar met afwijkend gedrag. Op iedere school komt pesten voor. De sociaal emotionele ontwikkeling van kinderen speelt hierbij een belangrijke rol. Hoe gaan we om met emoties, hoever mag iemand gaan, waar ligt de grens tussen plagen en pesten, kan een kind voor zichzelf opkomen, zelfbeheersing etc. Scholen (en samenlevingen) hebben veiligheid als hoogste prioriteit maar pestprotocollen en anti-pest programma’s blijken vaak niet te werken omdat deze aanpak te vaak gericht is op de pester of gepeste in plaats van op de hele groep. Ieder individu heeft een rol in het groepsproces en de hele groep moet betrokken worden bij de oplossing van het probleem. Kinderen durven vaak niets te zeggen of te doen omdat ze bang zijn of omdat ze denken dat hun mening er niet toe doet. Als de grote middengroep zich verenigt krijgt polarisatie geen kans. Als we ons blijven richten op de uitersten (probleemgevallen) zal deze groep juist toenemen. Kern is om de grote middengroep te versterken die een corrigerende werking heeft.

Conclusie en samenvatting: meer aandacht voor het ‘mens-zijn’

  • Integratie kan alleen slagen op basis van gelijkwaardigheid.
  • Integratie begint bij bewustwording van de eigen identiteit.
  • Voor integratie hebben we communicatievaardigheden nodig.
  • Integratie vraagt om inlevingsvermogen van alle partijen.
  • Integratie begint in het onderwijs, in de klas waar alle kinderen samen zijn.

Het doel is niet alleen het hoofd te onderwijzen, maar ook het hart. Met andere woorden, de hele mens. Door middel van het ontwikkelen van de innerlijke waarden, de zogenaamde soft skills en inner values komen tot zelf-standig-heidLetterlijk op eigen benen staan. Door iedereen te betrekken en te werken aan identiteitsbesef, gelijkwaardigheid en samenwerking ontstaat er een positief klassenklimaat. Op de lange termijn betekent dit een geïntegreerde samenleving waar iedereen ertoe doet!