Een gevoelig en avontuurlijk kind
Toen ik vijf jaar was, liep ik voor het eerst weg van school.
Ik ging met plezier naar school en de juf was lief, maar me de hele dag moeten aanpassen was een opgave, toen al. De regels, de hiërarchie en stiekeme pesterijen, het ingehouden verdriet of de woede: geen kind wilde huilen in het openbaar. Uitdagend als je emotioneel bedraad bent. Het onrecht als je een klasgenoot gestraft zag worden, terwijl de treiteraar buiten schot bleef. Eigenlijk ging het op school overal over, behalve over die dingen. En volwassenen leken vooral de indruk te willen wekken dat twijfel niet bestond, dat zij te allen tijde de controle hadden over een situatie, ook al was dat niet zo. Dan zeiden ze A, maar deden B. Van een kilometer afstand kon je zien dat er iets mis was, maar als je ernaar vroeg werd het ontkend. “Wat is er mama?” “Niks liefje.”
Grote mensen denken dat ze kinderen moeten behoeden voor ‘negatieve’ emoties. Vanuit de beste bedoelingen, ongetwijfeld, maar heel verwarrend als je veel voelt. Ik dacht vaak dat mijn gevoel niet klopte: ‘Ik zal het wel niet goed hebben begrepen’. Nu zie ik grote mensen die eigenlijk nog kinderen zijn. Ze hebben een volwassen lichaam, doen alsof ze helemaal zeker zijn, maar eigenlijk weten ze het ook niet.
Toen ik vijf jaar was, liep ik voor het eerst weg van school, de kleuterschool. Samen met een buurjongen, tevens mijn beste vriend. Toen de juf in de pauze even niet oplette gingen we ervandoor. Twee baldadige kleuters die hun hart volgden in plaats van de orders van de schoolleiding. De vrijheid lonkte. buurjongen en ik holden samen naar het winkelcentrum in onze wijk waar alle moeders boodschappen deden. Ik kan me het gevoel nog herinneren toen we ons probeerden te verstoppen achter een reclamebord van de supermarkt en we een buurvrouw zagen lopen. Helaas zag zij ons ook. Onze moeders werden gebeld, die natuurlijk in alle staten waren; boos en ongerust. En wij werden met hangende pootjes terug naar school gebracht waar we een preek kregen van de hoofdonderwijzer in het bijzijn van onze moeders, die het roerend met hem eens waren. Zo ging dat in de jaren zeventig.
Mijn moeder
Mijn moeder was alles voor mij. Ik keek tegen haar op, want zij deed grotemensendingen zoals roken, sherry drinken en toneelspelen. Toen ik een jaar of negen was, kwam ik een keer tussen de middag thuis uit school in een donker huis, de gordijnen waren gesloten. Wat voor geheimzinnigs was hier aan de hand? Mijn moeder en de andere moeders uit de straat hadden zich in onze huiskamer verzameld; het was warm binnen en stond er blauw van de rook. De tv was aan en op de tafel stonden sherry- en wijnflessen en gevulde glazen. Ik stond nog half in de gang en gluurde naar de contouren van de buurvrouwen in onze verduisterde woonkamer. Toen de moeders mij zagen giechelden ze, enigszins betrapt, zich misschien wel bewust van de ongewone aanblik, het was ten slotte twaalf uur ‘s middags. “Hoi Babs, pak maar een lekker broodje” riep mijn moeder opgewekt. “Was het leuk op school?” Wij hadden een videorecorder en het was de tijd van zielige films zoals Les Uns et les Autres, Sophie’s Choice en ingewikkelde intellectuele films van Woody Allen waar ik niets aan vond. Daar keken ze naar met zijn allen tijdens schooltijd. Af en toe werd er hard gelachen en op andere momenten was er een ernstige stilte. Bij ons thuis was het in ieder geval niet saai, zoals op school meestal wel het geval was.
Schrijverskriebels
Als ik mijn werkjes af had in de klas, mocht ik vaak helpen bij het maken van de schoolkrant. Dat was het leukste van school. Het was een handmatig proces, met van die smalle houten letterbakken, waar je alle letters van een woord, afzonderlijk in spiegelbeeld in moest leggen. Een plat blokje voor een spatie. Als alles erin zat, werd het geheel met een veer aangespannen zodat de letters klem zaten. Vervolgens ging het in een drukpers met een carbonvel. Het was altijd reuze spannend dat moment dat je een blaadje had gedrukt, want als per ongeluk een letter verkeerd om zat, werd het akelig zichtbaar op papier. En dan had je een fout gemaakt en dat was niet de bedoeling natuurlijk.
Levendige herinneringen heb ik aan de momenten dat mijn vader een typemachine mee naar huis nam van zijn werk. Het was heel gek, maar dan was ik zó blij. Bij binnenkomst werd dat grote apparaat uit de speciale loodzware typemachine koffer gehaald. Wij, mijn broertje, zusje en ik, keken naar dat vreemde speelgoed, dat nieuw was voor ons. Maar vooral mijn broertje was er snel op uitgekeken, dus zij mochten eerst en als ze het zat waren kroop ik erachter. Het gevoel van vreugde als ik typte en hoorde hoe de letters over de witte bladzijden vlogen. Er lagen wat witte blaadjes naast die ik voorzichtig in de rol draaide. Het geluid van de tikkende letters die tegen het papier aansloegen, de zwierige beweging met de zwengel aan het eind van de regel, het belletje om vervolgens weer aan de volgende regel te beginnen... Tikke-takke-tikke-takke-tikke- takke... pling! Af en toe zaten de typarmen vast, wanneer je twee letters, die naast elkaar zaten op het toetsenbord, tegelijk indrukte. Dan was je een tijdje zoet met het weer uit elkaar halen, als twee plakkerige dropsleutels; je vingers werden zwart van de inkt als je niet uitkeek. Ik geloof dat daar mijn liefde voor schrijven is geboren. Hoewel dat gedoe met vastgelopen typarmen en doorgedraaide typlinten niet echt bemoedigend was. Hoe onhandig ik ook was met de apparatuur, als ik schreef, werd er iets gemanifesteerd. Mijn gedachten kwamen ineens tot leven, waardoor ze een bepaalde waarde kregen die ze daarvoor, toen ze nog zweefden in mijn hoofd, niet hadden.
Dierenliefde
Ik had een vage wens om schooljuffrouw te worden. Maar wat ik in mijn kinderhart het liefste wilde zijn was dierenarts. Dit stond bovenaan mijn lijstje van lievelingsberoepen. Gedreven door dierenliefde heb ik het ooit gepresteerd om mijn moeder een cavia voor haar verjaardag te geven. Niet dat ze daarom gevraagd had. Het idee ontstond vlak voor ze jarig was. We zaten aan tafel en mijn vader vroeg wat ze voor haar verjaardag wilde hebben. “Een papegaai,” antwoordde zij, iets wat hij natuurlijk een lachwekkend idee vond. Ik dacht alleen maar: ‘een papegaai, een papegaai, hoe kom ik aan een papegaai? Dat wil mama echt graag, dus dat ga ik voor haar kopen!’ Nu denk ik dat mijn moeder de papegaai misschien wel sarcastisch bedoelde, als symbool voor de moeizame communicatie met mijn vader, maar dat weet ik niet zeker. Lang verhaal kort: op een mooie dag, na schooltijd deze keer, ging ik samen met mijn broertje en zusje naar de dierenwinkel. “Wij willen graag een papegaai kopen meneer.” De man begon hard te lachen. “Weet je wel wat een papegaai kost?” Een papegaai kostte wel 150 of 200 gulden en zoveel hadden we natuurlijk niet. “Wat kunnen we kopen voor 15 gulden, meneer?” We hadden de keus uit een cavia of een hamster en volgens mij was een muis of rat ook nog mogelijk. Tenzij we liever een handjevol vissen wilden? Een goudvis hadden we al eens gehad en dat was geen succes geweest. Het leek mij ook niet waarschijnlijk dat onze moeder blij zou worden van een goudvis, ik gaf haar liever iets aaibaars. Zo geschiedde. We kozen voor de cavia en opgetogen liepen we naar huis. Blij dat we geen muis hadden gekozen, want één ding wisten we zeker: daar hield ze helemaal niet van. En zo kreeg mijn moeder de volgende dag een cavia van haar kinderen. Mijn vader moest erg lachen, die vond het blijkbaar grappig. De mengeling van verbazing en schrik op mijn moeders gezicht sprak boekdelen, al deed ze natuurlijk haar best om opgetogen te zijn. Het is een favoriete anekdote geworden. Uiteindelijk werd Teuntje mijn cavia en heeft hij of zij een paar jaar in mijn kamer gewoond.
Angst
Als ik ‘s avonds laat nog wakker was en nadacht over de zin van het bestaan, werd ik bang. Wat er gebeurde na de dood? Niets. Wat is niets? Het beangstigde me, het idee dat je niet meer bestaat, de leegte waar ik dan inviel was oneindig diep en bedreigend. Nooit meer. Wat komt er na nooit? Niets. Niets meer. Dit is alles. Hoe kan dat? Ik liep vast in het denken en als ik bang werd begon ik te bidden tot God. Ik praatte iedere avond met Hem, met mijn handen in elkaar geklemd en mijn ogen dicht. Daar in het donker werd ik bang voor oorlog en voor de atoombom die het leven in één klap kon beëindigen. Dat was misschien wel mijn grootste angst, iets was waar ik geen invloed op had, maar dat een eind kon maken aan het leven zodat ik ineens in dat niets terecht zou komen, waar ik niets van wilde weten. In de gesprekken met God vroeg ik altijd om bescherming voor iedereen waar ik van hield. Een terugkerende taak die ik zeer serieus nam. De lijst met mensen en dieren werd steeds langer en als ik per ongeluk iemand vergat, of bijna in slaap was gevallen, dwong ik mezelf het opnieuw te doen. Licht neurotisch was dat wel, maar het moest, want stel je voor dat er een ramp zou gebeuren? Dan was het misschien wel mijn schuld...
Zo legde ik mijzelf al heel jong van alles op. Heel streng was ik daarin, ik moest en zou altijd het goede doen! Vloeken vond ik echt niet fijn: de kracht en de boosheid die gepaard gingen met een vloek deden me altijd pijn om te horen, dat voelde ik letterlijk in mijn lijf. Zondaars Het zoeken naar betekenis begon al vrij jong, ik had een onverklaarbare interesse in spiritualiteit. Dit was niet iets wat ik met de paplepel had ingegoten gekregen, mijn ouders waren daar helemaal niet mee bezig. Mijn beste vriendinnetje was van huis uit katholiek. Waar voor anderen het kerkbezoek op zondag een verplichting was, keek ik ernaar uit met haar familie mee te gaan naar de dienst. Alles in de kerk intrigeerde me. De Mariabeelden, de verhalen over het lijden van Jezus Christus, de ernstige toon van de priester, het orgel en het gezang; en als hoogtepunt de catechisatie. Op een dag won mijn nieuwsgierigheid het van de onzekerheid en durfde ik als niet-katholiek, ongedoopt meisje, mee naar voren te lopen en een hostie te halen. Onopvallend vouwde ik mijn handen open en legde de priester er een heilig broodje in. Zo nonchalant mogelijk probeerde ik het in mijn mond te stoppen, terwijl ik terugliep naar mijn plaats op de kerkbank. Onderwijl proevend, speurend in de smaakpapillen of er misschien iets speciaals mee was, iets heel bijzonders, iets...? Maar nee. Het smaakte eigenlijk nergens naar. Maar oh, wat was dat spannend en wat voelde ik me schuldig nadien. Mijn vriendinnetje moest me geruststellen dat het echt geen kwaad kon. Zelf was ik ervan overtuigd dat ik iets heel ergs had gedaan, misschien zou God me straffen nu! Het bleef dus bij die ene keer. Maar achter te moeten blijven op de kerkbank, terwijl de anderen wél een hostie gingen halen, was zo mogelijk nog vervelender. Ik voelde me dan klein en onbetekenend, een minderwaardig mens, want ik was niet gedoopt en mocht daarom geen hostie halen. Dat gevoel dat ik ter plekke kreeg, alsof iedereen naar mij keek met een zeker medelijden, ach gut, zij is niet gedoopt, wat zielig! Ik ben nog een paar keer meegegaan, maar was er op een gegeven moment wel klaar mee, met die kerk. Misschien omdat er van alles werd gezegd waarvan ik onbewust voelde dat het mensen uit hun kracht haalde. Al die bangmakerij en het praten over zondaars en straffen. Mijn hart protesteerde tegen de angst- en schuldgevoelens die mensen ten onrechte kregen aangepraat.
Saai
De lagere school was nog wel leuk omdat ik veel vrijheid had, maar de middelbare. Het voelde als een gevangenis. Soms was het als kijken naar een slecht toneelstuk waar ik, tegen mijn zin, ook een rol in had. Terwijl ik er het beste van probeerde te maken en op creatieve wijze invulling gaf aan mijn rol, kreeg ik een standje omdat ik de voorgekauwde tekst niet reproduceerde. Uiteindelijk paste ik me met tegenzin aan. De regels, het verplicht moeten uitvoeren van taakjes. De verveling, de sleur. Het dag in dag uit luisteren naar saaie docenten. Kinderen die zó langzaam voorlazen dat het bijna onmogelijk was om erbij te blijven met mijn gedachten. Af en toe keek ik vooruit in het boek, naar hoeveel bladzijden het hoofdstuk nog had en bladerde dan weer terug naar de bladzijde waar we waren om te constateren dat de lezer slechts een paar regels was gevorderd. Soms las ik zelf de hele tekst vooruit. Het nadeel was dat de komende les dubbel saai was, maar in ieder geval was er tijdelijk wat afleiding, zat ik even in een andere, levendiger wereld. Dit hele schoolgedoe voelde als tijdsverspilling. Ik keek naar buiten en zag de bomen staan waar ik in mijn vrije tijd graag in klom. En zo droomde ik weer weg... Fantaserend over een avontuurlijk leven, actie, romantiek en rijkdom. Tot ik jaren later op een dag wakker werd en me realiseerde dat mijn leven niet meer klopte met wie ik ten diepste was. Al had ik eigenlijk geen idee wie die ‘ik’ dan was of hoe ik mijn dromen werkelijkheid kon laten worden.
2026, Barbara Le Noble Grote mensen doen alsof, totdat ze Human Design ontdekken.